Fragment 3: Karel ende Elegast (vs. 273-288)

Karel de Grote (hier aangeduid als koning) krijgt 's nachts in een droom de opdracht van een engel om te gaan stelen. Hij gehoorzaamt, zonder enig idee hoe dat moet, en gaat in alle stilte te paard zijn kasteel uit. In het bos ontmoet hij dan een geheel in het zwart geklede geheimzinnige ridder (die later Elegast blijkt te zijn).

Met dese talen voer bat voert
Die coninc ende heeft verhoert,
[275] Hoe een ridder quam ghevaren
In derselver ghebaren
Als die riden willen verholen,
Met wapen swart als colen.
Swart was helm ende schilt,
[280] Die hi an sinen hals hilt.
Sinen halsberch mochtmen loven.
Swart was den wapenroc daerboven.
Swart was dors, daer hi op sat,
Ende quam enen sonderlinghen pat
[285] Dwers ghereden dor den woude.
Alsen die coninc ghemoeten soude,
Seindi hem ende was in vare,
Ende waende, dat die duvel ware,
Omdat hi was soe swart al.