Expressionisme in de poëzie

Nieuwe geluiden in het interbellum

Na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog betrad een nieuwe generatie dichters het literaire podium. Zij wilden afrekenen met de burgerlijke cultuur van de negentiende eeuw en plaatsten de dichter en de dichtkunst op een voetstuk. De dichter moest met zijn poëzie de wereld vernieuwen. Het expressionisme was geboren.

Soms komt een stroming voort uit één enkel boek. Zo ging het ook met het expressionisme. Een jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog verscheen bij een kleine Duitse uitgever de bloemlezing Menschheitsdämmerung. Symphonie jüngster Dichtung, samengesteld door de schrijver en journalist Kurt Pinthus. Deze bloemlezing uit de nieuwste Duitse poëzie ging onder jongeren van hand tot hand en verwierf al snel een cultstatus als boegbeeld van een geëngageerde en kritische nieuwe kunststroming, het expressionisme. Wereldberoemd werd het eerste gedicht uit de bloemlezing, ‘Weltende’ van Jakob van Hoddis, waarin al meteen de bedoelingen van de nieuwe kunst duidelijk werden gemaakt: ‘Der Sturm is da’, dicht Van Hoddis, en ‘Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut’. Het gedicht onttroont de burgerman (het symbool van burgerlijke waardigheid waait hem bij deze storm van het hoofd), waarmee de weg wordt vrijgemaakt voor een nieuwe mens.

De nieuwe mens

Over wie die ‘nieuwe mens’ precies was, bestond onder expressionisten uiteindelijk minder overeenstemming dan over de noodzaak van zijn verschijning. Wanneer de dichter H. Marsman in een essay uit 1929 terugblikt op de verschijning van Menschheitsdämmerung, typeert hij de revolutie die in de bloemlezing werd aangekondigd als volgt:

Het was een [...] doorbreking van een verstarrend verleden en een verdorrend levensgevoel; het was de breuk, kort, luid en wanhopig met een aesthetisch, ethisch en sociaal organisme, dat het leven verengde, dat den mens, naar de mening der expressionisten vernederde, knechtte en brak. Het was een woedend en gillend protest tegen een kapitalistische terreur, tegen een esoterisch, romantisch individualisme, tegen den oorlog, den georganiseerden massamoord. Het expressionisme was revolutionair; links-revolutionair, nauwkeurig gezegd, humanistisch, democratisch, aktivistisch, communistisch, anarchistisch; het was éen felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld.

De redding der mensheid – deze niet geringe ambitie kenmerkt het expressionisme in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, ook in Nederland en Vlaanderen. En de toon waarop daaraan in expressionistische gedichten vorm werd gegeven, was hoog. Dichters als Wies Moens, Herman van den Bergh, Marnix Gijsen en de jonge Paul van Ostaijen schreven vaak nogal retorische en gezwollen poëzie, waarin voor de dichter soms een opmerkelijke (helden)rol was weggelegd. In deze regels uit ‘Het sienjaal’ van Paul van Ostaijen, bijvoorbeeld, waarin de dichter zichzelf vergelijkt met een priester:

Priester zijn: dienaar die wat onwerkelik is herschept tot het levende leven, doch ook hij die dageliks nuttigt het Vlees en het Bloed drinkt, door zijn hand geschapen uit de tarwe en de wijn.
Geen zelfstandig leven, doch het allergrootste:
ik heb woorden gesproken en zie: de wijn is bloed geworden!

De taal en het beeld

De tijdsomstandigheden maken dat het expressionisme soms een politiek karakter aanneemt. In het geval van Van Ostaijen vindt de liefde tot de medemens onder meer uitdrukking in het politieke ideaal van een Vlaanderen dat niet langer wordt gedomineerd door de Franstalige cultuur.

Marsman was dus niet de enige dichter in het Nederlands taalgebied die zich gevoelig toonde voor de taal en beeldspraak van het expressionisme. In zijn eerste dichtbundel, Verzen (1923), staan gedichten waarin de dichter via kosmische beeldspraak tot een machtige schepper wordt vergroot.

Vlam

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaglijke schalen
van lucht en aarde den opalen dag.

Toen Dirk Coster in 1924 zijn bloemlezing Nieuwe geluiden publiceerde (‘een keuze uit de poëzie van na den oorlog’) erkende hij in zijn inleiding eerlijk ‘dat het voornemen om dezen bundel samen te stellen [was] ontstaan gedurende het doorbladeren van een bekend Duitsch verzamelwerk: Menschheitsdämmerung’. De bloemlezing Nieuwe geluiden heeft een veel minder duidelijke ‘richting’ dan het Duitse voorbeeld (er staan dichters in van zeer uiteenlopende signatuur), maar volgens Coster tekent zich in de ‘jongste’ dichtkunst van na de oorlog wel een duidelijke ontwikkeling af. ‘Het groote Romantische verlangen sterft uit’, aldus Coster, en in plaats daarvan zien we meer en meer een ‘erkenning der werkelijkheid, en de verhoogde drang zich aan die werkelijkheid te geven’.

Mannelijke aangelegenheid?

En om een voorbeeld te geven van wat hij zich bij dit nieuwe engagement voorstelt, schuift hij het vroege werk van Paul van Ostaijen naar voren als een van de hoogtepunten uit zijn bloemlezing. Het is opvallend dat Kurt Pinthus slechts één vrouwelijke dichter in zijn bloemlezing opnam en Coster geen enkele. Het expressionisme leek vooral een mannelijke aangelegenheid. In latere jaren zou er meer aandacht komen voor het werk van bijvoorbeeld Mathilda (Til) Brugman, die klankverzen en groteske prozaschetsen schreef, waarmee zij bijdroeg aan de zichtbaarheid van het dadaïsme en expressionisme in zowel Nederland als Duitsland.

Afscheid van het expressionisme

In de crisisperiode na de Eerste Wereldoorlog sloeg de humanitaire en idealistische boodschap van de nieuwe poëzie erg aan. Toch verzetten veel dichters zich in de jaren twintig tegen het soort expressionisme dat Coster voorstaat. Niet in de laatste plaats Van Ostaijen zelf. Tegenover de gezwollen pathetiek van het expressionisme stelt hij aanvankelijk het dadaïsme van De feesten van angst en pijn, maar eind jaren twintig zal hij de nadruk gaan leggen op het autonome karakter van het kunstwerk. Poëzie, zo is zijn uiteindelijke opvatting, is woordkunst. Het gaat in gedichten niet om de idealen of de aspiraties van de dichter, maar om het klank- en woordenspel. De rest is ‘buitenlyriese hogeborstzetterij’.

Ook Marsman keurt uiteindelijk het soort poëzie van Menschheitsdämmerung en Nieuwe geluiden af. Bij al het retorische geweld ervan, meent hij, ging de poëzie verloren. Een nieuwe bloemlezing, in 1930 verschenen onder de titel Prisma en samengesteld door de dichter en criticus D.A.M. Binnendijk, zou andere criteria aanleggen dan Coster. Het gedicht werd door deze bloemlezer en door een invloedrijke dichter als Martinus Nijhoff niet langer beschouwd als de uiting van een revolutionair gevoel, maar als een zelfstandig talig kunstwerk dat los staat van zijn maker. Het gedicht is volgens Binnendijk ‘een van de aanleiding en den schrijver losgeraakt gewas, een natuurlijk organisme, een bloem’. Die opvatting zou het beeld van de poëzie in de jaren dertig bepalen en zou weerstand opwekken bij schrijvers die vonden dat de literatuur zich langs die weg maatschappelijk buitenspel zette.