Liefdadigheidspoëzie

Als er ergens een overstroming of een brand was geweest, schreef een schrijver vaak een gedicht voor hulp aan de slachtoffers. De plaatselijke uitgever drukte dat dan gratis en het werd verkocht langs de deuren. De uitgave telde vaak maar enkele pagina’s en kostte meestal niet meer dan een dubbeltje. Méér geven was natuurlijk wel de bedoeling. De opbrengst ging via een commissie of via de dominee naar de ongelukkigen.

Er zijn gedichtjes geschreven voor slachtoffers van de cholera, voor de armen die geen eten hadden omdat de aardappeloogst mislukt was, voor de oprichting van armenscholen, voor opvang van bedelaars, voor weeskinderen. Maar ook culturele doelen haalden op deze manier geld op, al werden er dan vaak wat duurdere uitgaven gedrukt. Voor de oprichting van standbeelden bijvoorbeeld of de restauratie van oude gebouwen.

De eerste ramp waarbij er een nationale actie op gang kwam, was de ontploffing van het kruitschip in Leiden op 12 januari 1807. Daarbij vielen 151 doden en ruim tweeduizen gewonden. Willem Bilderdijk, die op dat moment in Leiden woonde, en zelf schrammen had opgelopen, had juist een dichtstuk bij de drukker gebracht. Hij bestemde de opbrengst daarvan voor de slachtoffers. Veel dichters in het hele land volgden hem. Ook Hendrik Tollens schreef een speciaal gedicht: `Zucht bij de ramp van Leyden’.

Tollens wist een gevoelige snaar bij de mensen te treffen als hij zich in dichtvorm inzette voor de armen en ongelukkigen in de maatschappij. Hij werd een soort nationale rampendichter.

Vooral bij overstromingen verschenen er liefdadigheidsuitgaafjes. Toen in 1855 Maas en Waal overstroomden, kwamen er maar liefst 68 boekjes `ten voordeele van de slachtoffers’ uit.