Braveriken, bengels en beweegbare boeken

Kinderliteratuur in de 19e eeuw

In de negentiende eeuw kende het kinderboek een grote bloei. Steeds meer schrijvers specialiseerden zich in kinderliteratuur, er kwamen nieuwe genres op de markt en de technische mogelijkheden voor druk en illustratie namen in snel tempo toe. Het boekenaanbod voor kinderen werd spannender en fantasievoller, al bleven moralistische verhalen de boventoon voeren.

Brave Hendrik

Aan het begin van de negentiende eeuw was Hiëronymus van Alphen de meest bewonderde kinderdichter. Geïnspireerd door zijn Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778) voerden schrijvers gehoorzame kinderen ten tonele, van wie de jonge lezer iets kon bijleren. Verreweg het succesvolste boek uit deze periode is De brave Hendrik (1810) van Nicolaas Anslijn met meer dan zestig herdrukken. Het titelpersonage heeft enkel goede eigenschappen:

Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat?
Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt. 
Hij doet nooit iemand kwaad. 
Er zijn wel kinderen, die hem niet liefhebben.
Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen. 
Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik.

De vrouwelijke evenknie van Hendrik was De brave Maria (1811). Deugdzame leesboeken zoals die van Anslijn werden door verlichte denkers en door de Kerk gepromoot. De pas opgerichte zondagsscholen verspreidden ze in grote oplagen, waardoor een groeiend aantal protestants-christelijke kinderen in Nederland met moralistische verhalen opgroeide. In Vlaanderen werd de kinderliteratuur sinds de Belgische onafhankelijkheid in 1830 decennialang door de Rooms-Katholieke Kerk gecontroleerd.

Romantisch kindbeeld

Vanaf het midden van de negentiende eeuw raakte de jeugdliteratuur in de ban van de romantiek. Kinderen moesten niet alleen leren en groeien. Ze moesten ook de ruimte krijgen om te spelen en zich fantasievol uit te leven. De kindertijd werd steeds vaker gezien als een paradijselijke periode waarnaar volwassenen slechts konden terugverlangen. Schrijvers uit de lage landen deelden in de eerste plaats een fascinatie voor het verleden. Dankzij Jacob Andriessen, Pieter Louwerse en Hendrik Conscience maakten schoolgaande kinderen in Nederland en Vlaanderen kennis met historische verhalen over het vaderland. In het spoor van de romantiek groeide daarnaast de belangstelling voor fantasieverhalen. Sprookjes zoals die van Charles Perrault (voor het eerste verschenen in 1697) werden razend populair, terwijl opvoeders en critici ze voorheen nutteloos of zelfs schadelijk vonden. Van fantasierijke avonturenverhalen zoals Lewis Carrolls Alice’s Adventures in Wonderland (1865) verschenen enkele jaren na publicatie al vertalingen in het Nederlands. Toch zou het nog een eeuw duren vooraleer er Nederlandse en Vlaamse fantasieverhalen op de markt kwamen die aan de buitenlandse successen konden tippen.

Beweegbare prentenboeken

De jeugdliteratuur vernieuwde zich in de negentiende eeuw het sterkst op technisch vlak. Innovatieve technieken en betere machines zorgden voor snellere en goedkopere drukprocessen. De oplagen werden daarom een stuk groter. Ook de kwaliteit van de boeken ging er in de meeste gevallen op vooruit. Dankzij de uitvinding van de kleursteendruk of chromolithografie (1836) werd het bijvoorbeeld mogelijk om hoogwaardige kleurenillustraties af te leveren. Een van de populairste prentenboeken uit deze periode was Sint Nikolaas en zijn knecht (1850) van Jan Schenkman. De illustraties in dit boek bepalen nog steeds mee onze beeldvorming over de Sinterklaastraditie. Het begint met de beroemde zin ‘Zie ginds komt de stoomboot’.

In de loop van de negentiende eeuw verschenen ook heel wat beweegbare prentenboeken. De lezer kon de prenten zelf veranderen door bijvoorbeeld aan beweegbare strips te trekken. Het eerste Nederlandse beweegbare kinderboek kreeg de titel De nieuwe rijschool (1856) van A. van der Hoop Juniorszoon. In het prentenboek staan zes prenten van dieren en hun ruiters. Alle dieren en ruiters bestaan uit twee helften. De ene helft staat in het boek gedrukt en de andere helft is een los onderdeel dat je met een lipje in een gleufje in de prent kunt steken. De losse onderdelen zijn zo gemaakt dat ze op verschillende manieren met elkaar te combineren zijn. Nooit eerder werd er in kinderliteratuur zoveel aandacht aan kijkplezier besteed.

Bengel of engel?

Tegen het einde van de negentiende eeuw nam het aanbod aan vermakelijke verhalen steeds verder toe. Kinderpersonages werden sympathieker, avontuurlijker en vooral grappiger. Soms hielden ze ook van kattenkwaad. In de lage landen gold Dik Trom (1891) van C. Joh. Kieviet als bekendste bengel. Dik is inderdaad een stuk vrijpostiger dan brave Hendrik: 

‘Dik, je moet gehoorzaam zijn. Alle kinderen hier op school zijn dat. Als ik je dus iets verbied, moet je het dadelijk laten.’
‘Zoo,’ zeide Dik.
‘Wat zeg je?’ vroeg de juffrouw, die zich over dit antwoord verbaasde en hare ooren bijna niet gelooven kon.
‘Ik zing geen twee liedjes voor één cent,’ zeide Dik, die eene grappige bui had en er zelf om lachen moest, tot zijn dikke buik er van schudde.
‘Wel, heb ik van mijn leven!’ riep de juffrouw. ‘Wat ben jij een brutaaltje! Van wien leer je dat?’
‘Van Moeder,’ zeide Dik zeer tevreden.

Dik maakte diepe indruk, maar dat deden de Brave Hendriken ook nog steeds. In burgerlijke kringen kende het verhaal met een moraal zelfs een tweede bloeiperiode. Opvoeders en schrijvers waarschuwden voor snoepzucht en drankmisbruik. Spaarzaamheid en wilskracht werden uitdrukkelijk bevorderd. Hoe dan ook kreeg het kinderboek er in de loop van de negentiende eeuw een functie bij. Kinderliteratuur bracht voortaan meer dan wijze lessen alleen. Ze kon ook ontspannend zijn. Er werden brave verhalen en lieflijke rijmpjes uitgegeven, maar ook speelboeken met aankleedpoppen en geïllustreerde avonturenverhalen. Welke boeken kinderen in handen kregen, hing af van het gezin en het milieu waarin ze opgroeiden.

KB-filmpje: De nieuwe rijschool

De nieuwe rijschool uit 1856 is het oudst bekende beweegbare prentenboek dat in Nederland is gemaakt. Het KB-exemplaar is voor zover bekend het enige exemplaar dat is overgebleven.

KB-filmpje: Wonderboeken voor 't jonge Nederland

In 1873 verschenen er onder de verzamelnaam 'Wonderboeken voor 't jonge Nederland' drie bijzondere, beweegbare prentenboeken op de markt: Nooit uitgekeken, Altijd wat anders en Telkens mooijer