Rasp- en spinhuizen

Aan het einde van de zestiende eeuw nam in veel Hollandse steden de criminaliteit in rap tempo toe. Oorzaken waren de ontreddering door de oorlog en de komst van duizenden immigranten zonder werk. Humanisten en politici dachten na over remedies. Men vond de doodstraf geen goede oplossing, en van pijniging, verminking of langdurige opsluiting in een nauwe, donkere cel zouden de veroordeelden geen betere mensen worden. Er moest een straf komen waardoor criminelen hun leven zouden beteren en waarvan de samenleving zou kunnen profiteren. Verschillende steden zagen wel wat in zo’n win-win-situatie en bouwden tuchthuizen, waar zwaar en nuttig werk moest worden verricht.

De bekendste voorbeelden zijn het rasphuis voor mannen en het spinhuis voor vrouwen in Amsterdam. Het rasphuis aan de Amsterdamse Heiligeweg ging open in februari 1596. Er zaten zo’n zeventig mannen gevangen, die paarsgewijs harde boomstammen moesten raspen. Het hout kwam uit Zuid-Amerika en werd gebruikt voor verffabricage. De gemiddelde productie was veertig pond houtvezels per koppel per dag. Het eten was eenvoudig maar voedzaam. Wie niet wilde werken, moest aan de ketting. De bewakers waren niet zuinig met lijfstraffen.

Behalve criminelen en zwervers zaten er ook ‘wittebroodskinderen’ in het rasphuis: moeilijk opvoedbare jongens die op verzoek van hun eigen familie een tijdje werden opgesloten. Bij toeristen, vooral buitenlandse, was het Amsterdamse rasphuis een trekpleister. Voor een stuiver entree mochten ze naar binnen. Let wel, niet om de gevangenen te bezoeken of te troosten, maar om hen te bezichtigen.