Jacob Haafner

Bestrijder van kolonialisme en slavernij

Halle (Duitsland) 1755 - Amsterdam 1809

Jacob Haafner was een avonturier, een verlichte geest, een begenadigd schrijver en een van de felste bestrijders van het koloniale systeem.

Avonturier met antikoloniale standpunten

Meer dan dertien jaar leefde Haafner in Azië waar hij tot zijn verdriet zag hoe de bevolking meedogenloos werd uitgebuit door de Europeanen. De schrijver ontwikkelde zich tot een fel bestrijder van het koloniale systeem. In Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon (1806) schrijft hij:

Ik acht alle mensen van welke kleur, natie en godsdienst zij ook mogen zijn als mijn medemens en broeder; wie daarover net zo denkt als ik die zal zich hieraan niet ergeren, maar juist met plezier zien dat ik de onschuldige en onderdrukte Indianen verdedig en vertegenwoordig en probeer hun tirannen met schande te overladen.

Haafner, geboren in Duitsland, verhuisde met zijn ouders rond zijn achtste naar Amsterdam. Toen hij elf was begon zijn bestaan als avonturier. Met zijn vader, die scheepsarts was bij de VOC, ging hij op reis naar Afrika. Zijn vader stierf tijdens deze reis en de kleine Jacob bleef achter in Kaapstad bij een pleeggezin. Twee jaar later monsterde hij aan als scheepsjongen.

Op achttienjarige leeftijd kwam Haafner terecht in Zuid-India, waar hij negen jaar werkte als klerk en boekhouder. Toen in 1780 in Europa oorlog uitbrak tussen Groot-Brittannië en Nederland, werd Haafner door de Britten in India een jaar krijgsgevangen gemaakt. Vanaf 1784 woonde hij in Calcutta, Noord-India. Daar wist hij als koopman een klein kapitaal te vergaren. En hij werd er verliefd op de danseres Mamia. Dus bleef hij in Zuid-India, maar toen zijn geliefde stierf keerde Haafner in 1787 alleen terug naar Amsterdam. Hij was toen drieëndertig, reisde veel door Europa, stichtte een gezin, solliciteerde vruchteloos bij overheidsinstanties en opende uiteindelijk een winkel in pijpen. Pas rond 1800 begon hij, uit geldnood, met het schrijven van artikelen.

Moderne reisverhalen

Haafner werd pas bekend in 1805, toen hij een prijsvraag won bij het Teylers Godgeleerd Genootschap. In deze Verhandeling over het nut van zendelingen en zendelingsgenootschappen heeft hij geen goed woord over voor zending en missie. Alle mensen zijn vrij en gelijk, volgens Haafner, en de christelijke godsdienst kan nooit superieur zijn aan een andere. Lang heeft Haafner niet van zijn roem kunnen genieten. Hij overleed in 1809 zodat drie van zijn reisverhalen na zijn dood verschenen. Wel bij zijn leven verscheen Reize in eenen Palanquin (1808) waarin hij zijn onstuimige en dramatische liefdesrelatie met Mamia beschrijft, die eindigt met de dood van zijn geliefde. Haafner zelf stak de brandstapel aan waarop haar lichaam werd verbrand.

Haafners stijl was net zo modern als zijn standpunten origineel waren. Hij beschreef zijn avonturen en antikoloniale standpunten in een heel direct, uitermate leesbaar Nederlands. Niet alleen door die stijl wist hij het genre van het reisverhaal te moderniseren. Ook zijn scherpe observaties van het dagelijks leven in de koloniën en zijn kritische, originele manier van denken droegen daartoe bij. Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels, Frans en Latijn.


Fragment uit: Reize in eenen Palanquin (1808) p. 45-48

In het volgende fragment verlaat Haafner ’s nachts zijn palanquin, een draagstoel. Hij kan de slaap niet vatten en maakt een ommetje. Overal flikkert vuur en ziet hij groepjes mensen. Hij was graag bij die mensen gaan zitten:

Maar mijn aanwezigheid scheen hen te hinderen; de afkeer, de vrees, het wantrouwen dat alle Indianen voor Europeanen voelen, bespeurde ik op alle gezichten zodra men mij opmerkte; het meest bij hen die hun vrouwen en dochters bij zich hadden. Overal waar ik mij vertoonde verstomde elke groep. De vreugde en het genoegen die hen allen bezielden verdwenen ogenblikkelijk. Iedereen keek mij met onwil en verdriet aan en leek ongeduldig te wachten tot ik weg zou gaan als ik soms bij hen bleef staan.
Zo hebben de Europeanen, die met hun grotere kennis en verlichting de genegenheid en achting van deze volken hadden kunnen winnen, daarentegen door hun slechte levenswijze, tirannie en onverdraaglijke trotsheid waarmee zij hen behandelen, zich slechts haat en verachting op de hals gehaald. Deze afkeer en verachting voor de blanken is algemeen en vind je bij iedereen --- men moet hun taal verstaan en bekend staan als een sober, matig, zachtzinnig en menslievend man, wil men vertrouwen bij hen vinden en hun genegenheid winnen.
Ik kan zeggen dat het mij vaak inwendig pijn deed dat ik in deze algemene haat moest delen zonder dat ik het deze goede mensen, die mij niet kenden en niet wisten dat ik mijn eigen lands- en geloofsgenoten in die landen, net zo, en mogelijk nog meer dan zij, verfoeide, kon kwalijk nemen.

[Haafner keert terug naar zijn draagstoel en merkt op:]

Mijn palanquin zou nu, als ik onder Europeanen of in Europa zou zijn geweest, óf leeggeroofd, óf helemaal gestolen zijn geweest; maar bij deze domme en blinde heidenen hoeft men zoiets niet te vrezen; men kent hier geen diefstal of moorden zoals bij ons. De echte beroepsdieven zijn de Europeanen; want die komen expres naar deze landen om zich rijk te stelen en worden bewust en opzettelijk hun eigen land uitgestuurd om er te plunderen en te roven. Dat zij het moorden ook goed beheersen, daarvan heeft men, helaas! maar al te goede voorbeelden en bewijzen.