Imaginaire reisverhalen

Dromen van een betere wereld

Imaginaire reisverhalen zijn verhalen waarin gereisd wordt naar landen, gebieden en volken die niet bestaan, behalve dan in het hoofd van de schrijver. Verlichte auteurs gebruikten het genre om te dromen over betere, rechtvaardiger samenlevingen.

Het bekendste voorbeeld van zo'n imaginair reisverhaal is Robinson Crusoë van de Engelse schrijver Daniël Defoe (1719). Het gaat over een jongeman die schipbreuk lijdt, op een onbewoond eiland terecht komt en zichzelf, wonder boven wonder, in leven weet te houden. Vandaag de dag wordt Robinson Crusoë alleen nog als kinderboek gelezen, net als Gulliver's Travels van Jonathan Swift. In de achttiende eeuw waren dit boeken voor volwassenen met een belangrijke boodschap: de wereld is maakbaar en verbeterbaar.

Een vroeg imaginair reisverhaal

Robinson Crusoë geldt als exemplarisch voorbeeld van het imaginaire reisverhaal. Maar zo'n elf jaar eerder verscheen in het Nederlands een imaginair reisverhaal met eveneens een jongeman die schipbreuk lijdt en weet te overleven. Het gaat om Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708), geschreven door de Zwolse arts Hendrik Smeeks. Smeeks was de eerste in Europa die zo'n verhaal schreef.

Smeeks' verhaal gaat over het zelfverzonnen land Krinke Kesmes – grotendeels gevormd uit de letters van zijn eigen naam. In dit land heerst veel meer vrijheid en gelijkheid dan in het Nederland en Europa van de achttiende eeuw. Mannen en vrouwen hebben er bijvoorbeeld gelijke rechten. Uit verschillende geloven heeft men één nieuwe, tolerante godsdienst gemaakt waar iedereen zich in kan vinden. In hemel en hel geloven de bewoners van Krinke Kesmes echt niet:

Godgeleerden vertellen wonderbaarlijke en angstwekkende verhalen over de Hel, terwijl zij, of wij, niet weten, wat, of waar de Hel is, of op welke manier de Godlozen daar zullen worden gestraft; […] Al net zo gaat het met de Hemel, waarover de godgeleerden onuitsprekelijke vreugden en volmaaktheden vertellen, terwijl ze, net als de gewone man, de reis ernaartoe proberen uit te stellen.

De maatschappelijke idealen die Smeeks beschreef waren in de achttiende eeuw ver te zoeken. Een samenleving zonder godsdiensttwisten bestond niet en ook gelijkheid tussen mannen en vrouwen was een utopie. Precies daarom schreef Smeeks zijn boek. Hij leverde op die manier kritiek op de eigen samenleving en liet tegelijkertijd alternatieven zien.

Robinsonades

Zo'n verhaal of episode waarin iemand op een afgelegen eiland een leven opbouwt noemen we een 'robinsonade', naar Robinson Crusoë. Robinsonades werden heel populair, juist omdat ze zo geschikt waren om te illustreren dat de wereld maakbaar was, verlicht uitgangspunt bij uitstek.

Achter elkaar verschenen De Hollandsche Robinson (1743), De Walchersche Robinson (1752) en De Haagsche Robinson (1758). In al deze romans belanden de hoofdpersonen onvrijwillig op verlaten eilanden en lieten de schrijvers zien dat niet de afkomst van een persoon belangrijk is, maar diens zelfvertrouwen en werklust. De Robinsons demonstreren waartoe een mens in staat is als hij in vrijheid een eigen samenleving kan opbouwen. Steeds overleeft de zwaar beproefde schipbreukeling dankzij optimisme, discipline en vertrouwen in God. Het instituut kerk heeft hij daarbij niet nodig.

Vlogboek: Imaginaire reisverhalen in de 18e eeuw 

In deze video bespreekt Jörgen het imaginaire reisverhaal, een genre dat in de 18e eeuw is ontstaan. Verhalen waarin het verlichtingsdenken centraal staat, van filosofische robinsonades tot maatschappijkritische boeken vol apen.