I have a gentle cock (Engels)

auteur onbekend, 15e eeuw, Engeland

De haan aan wie dit schone lied gewijd is, is noch van de straat noch van het boerenerf. Hij is een haan comen of great, van deftige komaf dus, net als zijn verwant Canticler in de Reynaert. Ook de haan in het verhaal van de nonnenpriester in Chaucers Canterbury Tales vertoont met zijn kam redder than the fine coral, zijn gitzwarte snavel, azuurblauwe poten en tenen en helderwitte nagels een onmiskenbare familiegelijkenis. Al gaat het in dit lied ontegenzeggelijk om een bijzonder fraaie haan, het valt moeilijk aan te nemen dat het de dichter uitsluitend te doen was om de beschrijving van een geliefd dier. Er is veel voor te zeggen dat de haan in dit lied niet zonder ironie wordt beschreven als een minnaar op vrijersvoeten. De pointe is vermoedelijk verborgen in de slotregels, waar blijkt dat de haan, toonbeeld van hanige viriliteit, iedere nacht op stok gaat In mine ladye's chaumber. Is het denkbaar dat de ‘ik’ van dit lied, de eigenaar van het dier, een tikje jaloers is op zijn haan?

I have a gentle cock,
Croweth me day:
He doth me risen erly
My matins for to say.

I have a gentle cock,
Comen he is of gret:
His comb is of red coral,
His tail is of jet.

I have a gentle cock,
Comen he is of kinde:
His comb is of red coral,
His tail is of inde.

His legges ben of asor,
So gentle and so smale;
His spores arn of silver whit
Into the wortewale.

His eynen arn of cristal,
Loken all in aumber:
And every night he percheth him
In mine ladye's chaumber.

Ik heb een edele haan,
hij kraait bij dageraad,
wat mij dan vroeg doet opstaan
en metten zeggen laat.

Ik heb een edele haan,
waar mooi blauw bloed in zit,
zijn kam van rood koraal,
zijn staart van zuiver git.

Ik heb een edele haan,
afkomstig van Het Loo,
zijn kam van rood koraal,
zijn staart van indigo.

Zijn poten van azuur,
zo rank en welgedaan,
zijn sporen van wit zilver,
tot daar waar ze ontstaan.

Zijn ogen van kristal,
met rondom een amberen tint:
zo is mijn haan, die elke nacht
mijn liefste's kamer vindt.

De tekst van het lied is overgeleverd in een vijftiende-eeuws handschrift. Een verre echo ervan lijkt hoorbaar in een Engels bakerrijmpje met een vrijwel identieke slotregel, dat voor het eerst is opgetekend in de achttiende eeuw:

Goosey, goosey gander,
Whither shall I wander?
Upstairs and downstairs
And in my lady's chamber.

Met goosey wordt een gans aangesproken, nader gespecificeerd in het woord gander, dat ‘ganzerik’, ‘mannetjesgans’ betekent. De uitdrukking to take a gander betekent ‘een kijkje nemen’. Dit rijmpje, dat zich overigens niet eenvoudig laat interpreteren, versterkt het vermoeden dat we in het lied over de haan te doen hebben met een variant van een motief dat in liefdespoëzie veel voorkomt: een minnaar constateert met afgunst dat zijn geliefde voor een dier - vogel, schoothond of kat - blijkbaar meer genegenheid koestert dan voor hem.