‘Voor zo'n prijs wil ik nooit meer schrijven!’

Henricus van den Damme voltooide zijn afschrift van de Brabantsche yeesten op 15 mei 1444, vrijdagavond om negen uur. Hij schreef voor de stad Brussel, die blijkbaar een zuinige opdrachtgever was, want voordat Henricus de pen neerlegde, moest hij toch even kwijt dat hij voor zo'n loon nooit meer schrijven wilde: Pro tali precio nunquam plus scribere volo [=Voor zo'n prijs wil ik nooit meer schrijven] noteerde hij onder de tekst. Werd Henricus echt zo slecht betaald? In een hoekje op de laatste bladzijde van het handschrift staat een rekeningetje, waarin Henricus zelf uitgerekend heeft wat de kosten waren voor het vervaardigen van het handschrift:

XI vergulden letteren met dobbelden stocken, elcke VIII stuvers,
twee met inckelen stocken, elcke VI stuvers;
VII hondert letteren van twee sto[c]ken, elc hondert VII stuvers;
Item XXXV quaternen gescreven, houdende elc quaterne XVIe valt LVIm elc duyst drie nuwe stuvers.

De vergulden letteren zijn de grote, vergulde initialen die het begin van de verschillende tekstonderdelen markeren. De stocken zijn de randversieringen van acanthusbladeren en wijnranken die aan de initialen vast zitten. Bij de letters met inckelen stocken is slechts aan twee zijden randversiering aangebracht; de letters met dobbelden stocken hebben aan vier zijden randversiering. De 700 letters van twee stocken zijn de grote rode of blauwe hoofdletters (lombarden) aan het begin van de hoofdstukken. Dan volgt de berekening van het kopieerwerk: 35 katernen zijn er geschreven, met zestienhonderd regels per katern, in totaal 56.000 regels. Helemaal kloppen deed Henricus' opgave niet; hij declareerde zo'n veertienhonderd verzen meer dan hij geschreven had. Voor elk duizendtal kreeg de kopiist drie nieuwe stuivers, totaal dus 168 stuivers. Hij kan ongeveer viereneenhalve bladzijde (2,25 folia) op een dag hebben geschreven. Het handschrift telt in totaal 273 folia; Henricus moet daarom ongeveer 120 dagen bezig zijn geweest. Hij verdiende dus gemiddeld 1,4 stuiver per dag. Een metselaarsknecht verdiende in die tijd ongeveer een halve stuiver per dag, een meestermetselaar één stuiver. Kanselarijklerken verdienden anderhalve stuiver, dus maar een klein beetje meer dan onze kopiist kreeg. Zo onredelijk lijkt de betaling dus al met al toch niet geweest te zijn.

De stad Brussel had met dit handschrift iets kostbaars verworven, dat het waard was beschermd te worden tegen diefstal. Er zijn aanwijzingen dat het boek in de bibliotheek van de Brusselse magistraat aan de ketting lag; men kon de boeken dus alleen op deze plaats raadplegen. Zoals men tegenwoordig een zwaar slot gebruikt om zijn fiets te beveiligen, zo ‘ketende’ men in de middeleeuwen zijn boeken.