Jacob van Maerlant dringt aan op het stichten van scholen en het verstrekken van beurzen

In 1266 dichtte Jacob van Maerlant, ‘vader der Dietse dichteren algader’, zijn Heimelijkheid der heimelijkheden (vrij vertaald: Topgeheim). Bewerkt naar de Latijnse Secretum secretorum, is het een tractaat over bestuurskunst, gegoten in de vorm van de regeeradviezen die Aristoteles zou hebben gegeven aan zijn fameuze leerling Alexander de Grote. Het is meer dan waarschijnlijk dat Jacob van Maerlant, zichzelf inlevend in de rol van Aristoteles, deze Heimelijkheid schreef ten behoeve van de jonge vorst aan wie hij ook in andere werken Alexander de Grote ten voorbeeld stelde: graaf Floris V van Holland, die bij gelegenheid van zijn regeringsaanvaarding (op 12-jarige leeftijd!) met deze Heimelijkheid bedacht werd.
Temidden van een keur aan wenken en adviezen voor wijs landsbestuur besteedt Jacob van Maerlant - hier zijn Latijnse brontekst uiterst vrij bewerkend - ook aandacht aan het belang van onderwijs. Het moet de eerste Nederlandse tekst zijn waarin zo expliciet gepleit wordt voor bewuste onderwijspolitiek, en heel concreet voor studiebeurzen voor de minder bedeelden.

Maerlant laat Aristoteles tot Alexander zeggen:

In steden dire moghenthede
Mac scolen, ende doe leren mede
Die kinder van dinen lande.
Sijn si arrem, vul hem die hande;
Doe hem hovescheit ende ere,
Dat elc te williker lere.

Sticht scholen in de steden van Uw rijk en laat de kinderen uit uw land leren. Als ze daarvoor te arm zijn, vul dan hun handen; betuig hen daarmee op hoofse wijze Uw waardering, opdat ze des te gretiger leren.