Geschiedschrijving in de middeleeuwen

De geschiedenis werd opgeschreven om de eigen oorsprong te leren kennen, maar ook om partij te kiezen in actuele meningsverschillen.

Internet is een snel uitdijend heelal. Een zoekrobot als Google overziet op het ogenblik wereldwijd biljoenen pagina's. Als je tussen al die pagina's op zoek gaat naar je eigen familienaam, zul je verbaasd zijn hoeveel er inmiddels zijn gewijd aan stambomen. Overal in de wereld zijn mensen kennelijk op zoek naar hun wortels. Een enkeling meent inmiddels klaar te zijn: ‘mijn stamboom vanaf Adam’.

Ook middeleeuwers hadden belangstelling voor hun afkomst, waarschijnlijk nog meer dan de mensen van nu. De middeleeuwse maatschappij was een aristocratie: de macht was in handen van een adellijke elite die door geboorte was bevoorrecht. Om te verantwoorden waarom juist zij voorbestemd waren om te regeren, verwezen deze edellieden naar hun aanzienlijke afkomst. In de vroege middeleeuwen baseerden ze zich daarbij op de orale overlevering, de geschiedenis die van generatie op generatie was doorverteld.

Na de opkomst van de schriftcultuur stelde men de afstamming vaak op schrift: dat gaf extra geloofwaardigheid en prestige. Zo ontstonden in de loop van de twaalfde eeuw onder meer de genealogieën van de graven van Vlaanderen en de hertogen van Brabant. Ze werden in het Latijn geschreven door monniken die hun gegevens moeizaam bijeensprokkelden. Vooral de Brabantse dynastie kon trots zijn op haar stamboom. De hertogen stamden rechtstreeks af van Karel de Grote, die zelf trouwens Brabants bloed in de aderen zou hebben gehad. In een nog verder verleden zouden de Brabanders zelfs afstammen van de Trojanen!

Jan van Boendale, stadssecretaris in Antwerpen, schreef in de eerste helft van de veertiende eeuw zijn Brabantsche yeesten. Het is een uitvoerige geschiedenis van de Brabantse hertogen en hun voorgangers, met als grote held Karel de Grote. Boendale schreef ook over de nieuwste geschiedenis en daarbij maakte hij gebruik van wat hij her en der hoorde en las. Dat ging hem goed af: hij schreef duizenden verzen over zijn eigen tijd. Rond het midden van de vijftiende eeuw werd het werk van Boendale door anderen nog weer uitgebreid. De Brabantsche yeesten stonden goed bekend en allerlei stadskronieken pikten er graag bij aan om hun eigen lokale geschiedenis te vertellen.

Middeleeuwse kroniekschrijvers zijn het persoonlijkst als ze hun eigen tijd beschrijven. In de eerste plaats omdat ze daarover het meest weten te vertellen, maar vooral ook omdat hun teksten vol vuur zitten. Ze geven geen afstandelijke historische overzichten, maar nemen een standpunt in over politieke kwesties die de emoties beroerden. Een goed voorbeeld daarvan is Jan van Heelu die de veldslag bij Woeringen (1288) beschrijft terwijl het stof daarvan nog nauwelijks is opgetrokken. Hertog Jan I van Brabant heeft een zwaar bevochten overwinning behaald, en Heelu prijst zijn grote moed:

Noch doen, noch eer en wert vernomen
Riddere en geen, noch oec gesien,
Soe condichlike ten wige wert tien,
Alse die hertoge.

Heelu doet zijn uiterste best de Brabanders ervan te overtuigen hun hertog financieel te belonen. Ook Melis Stoke kiest partij in zijn Rijmkroniek van Holland. Hij vertelt over de moord op graaf Floris V in 1296 en de verwikkelingen die daarop volgden. Hij steunt een van de partijen in Holland, dat door interne strijd verscheurd was. De schrijver wist maar al te goed dat zijn stellingname niet zonder gevaren was:

God moet mi sire hulpen onnen,
Datmen niet an mi moet wreken
Mijn dichten ende mijn na spreken.

Auteurs als Boendale, Heelu en Stoke wilden een boodschap overbrengen. En om dat te doen maakten ze gebruik van alle literaire middelen die er waren. Hun beschrijvingen zijn beeldend, hun uitvallen retorisch. Dat de nuances daarbij wel eens wegvielen, nemen we graag op de koop toe.