Floris en Blancefloer gaan naar school

Diederic van Assenede, als klerk in dienst van de Vlaamse gravin Margareta, schreef rond 1255 zijn Floris ende Blancefloer, een Middelnederlandse vertaling van de Oudfranse Florisroman voor, zo zegt hij, degenen die geen Frans kenden. De Spaanse koningszoon Floris en het christenmeisje Blancefloer groeien samen op aan het Spaanse hof, waar al in de wieg hun minnekozen begint. Als ze 5 jaar oud zijn, gaan ze beide naar school. Overigens mag Blancefloer pas mee naar school als Floris zijn vader bezweert dat hij zonder zijn vriendinnetje zijn hoofd beslist niet bij de les zal kunnen houden.

Men dedese ter scolen, ende si leerden;
Si ghingen te gader ende si keerden.
Van harre ouden, van haren daghen
Consten si van minnen, die si plaghen,
Menighen raet ende vele treken.
Doe mochtsi vriliken spreken
Haer ghelijkc andren sinen wille
Verholentlike ende stille.
Si ghingen ter scole gestadelike.
Si onder minden hem verholenlike.
Als deen bi den andren niet en was,
Vergat hi wat hi hoerde of las;
Ende wat so men hem seggen hiet,
Des en mocht hi onhouden niet.
Ter minnen hadden si goede stade.
Si waren beide van enen rade,
Van ere scoenheit, van enen sinne,
Ende even gestadech an die minne,
Dat si oec dicke lesen horden
Die treken, die ter minnen horden,
Ende mense oec te lesene sette
In Juvenale ende in Panflette
Ende in Ovidio de Arte Amandi,
Daer si vele leerden bi,
Dat hem bequam ende dochte goet.
Dus hadden si ter minne spoet.
Die boeke dadense haesten so
Ter minnen, dat si dicke vro
Beide waren ende in sorgen groet,
Dat si hadden liever te wesene doet
Dan gesceden lange te sine.
[...]
Sint dat si leren begonsten,
Binnen vijf jaren die kinder consten
Latijn spreken wel te maten.
Doe mochten si in wege ende in straten
Ende in den hove seggen in Latijn
Haerlijc andren den wille sijn,
Dattie leeke niet en mochten verstaen.

Men stuurde ze naar school om te leren. Samen kwamen en gingen ze. Voor hun leeftijd waren ze al aardig op de hoogte van de lessen en listen van de liefde. Zodoende konden ze elkaar vrijuit zeggen wat ze wilden. Ze gingen trouw naar school en beminden elkaar heimelijk. Als de een zonder de ander was, vergat deze wat hij hoorde of las, en onthield ook niet wat hij moest opzeggen. Ze hadden de gelegenheid elkaar te beminnen en waren eensgezind, even mooi ook, en even trouw. Ze hoorden immers dikwijls lezen over de listen die bij de liefde horen. Want men liet ze lezen in Juvenalis, en in Pamphilius Mauritianus' De Amore, alsook in Ovidius' De arte amandi. Hieruit konden ze veel opsteken, dat hen beviel.
Aldus kenden ze voorspoed in de liefde. De boeken bespoedigden hun vorderingen op liefdes gebied, en leerden ze ook de andere kant kennen: de zoete liefdespijn. Liever zouden ze sterven, dan lange tijd van elkaar gescheiden te zijn.
[...]
Binnen vijf jaar nadat ze voor het eerst naar school gingen — dus al op 10-jarige leeftijd -, spraken de kinderen uitstekend Latijn. Met als gevolg dat ze op straat en aan het hof in het Latijn tegen elkaar konden zeggen wat ze wilden, zonder dat enige leek er iets van verstond.