De benoeming van schoolmeesters in Brussel, 1382

Aan het eind van de veertiende eeuw was het onderwijs in Brussel onderhevig aan wildgroei. Er was weliswaar slechts één Latijnse school (die hogher scole), maar het aantal lagere scholen (die nedere scolen) groeide gestaag. De schoolmeesters moesten steeds heviger met elkaar concurreren hetgeen ten koste ging van hun inkomen: minder leerlingen die steeds minder schoolgeld betaalden. In onderling overleg besloten de hertog en hertogin van Brabant, het stadsbestuur van Brussel, en de Brusselse scholaster - de laatste was namens de kapittelkerk van Sint-Goedele verantwoordelijk voor het Brusselse onderwijs - paal en perk te stellen aan deze onhoudbare situatie. Op 15 februari 1382 verkondigden de hertog en hertogin van Brabant dat het schoolgeld per leerling werd vastgelegd op vijf oude groten al mocht een schoolmeester nog wel een uitzondering maken voor arme kinderen die gheen scoelghelt machtich en waren te ghevene. Verder werd bepaald dat slechts dertien meesters tegelijkertijd in Brussel een schooltje mochten houden. Zo gauw één van de dertien plaatsen vrij zou komen, moest de scholaster een geschikte opvolger aanwijzen, waarbij hij zich niet mocht laten omkopen:

Wanneer eneghe van den derthien nedere scolen vaceert oft verstarft van eeneghen den ghenen, diese nu houden oft diese namaels houden selen, dat die vors. scolaster oft overmeester, ten tide sijnde, eenen eersamen tailweerdeghen man, van goeden name, die dair toe orborlec si, in des geen stat setten sal, die gestorven es, ten lanxten binnen eenre maent na des geens doot, die aflivich worden sal sijn, sonder enich ghenieten daer af te nemene oft te hebbenen heimelec oft openbaer, in eneger manieren.

Wanneer op één van de dertien scholen een plaats vrijkomt door het vertrek of het overlijden van degene die daar nu lesgeeft, zal de voornoemde scholaster in diens plaats een eerzame en verdienstelijke man benoemen die een goede naam heeft en voor deze functie geschikt is. En dit uiterlijk binnen één maand na de dood van degene die overleden zal zijn en zonder daar zelf openlijk of geheim enig profijt van te trekken op wat voor manier dan ook.