Boek van de wraak Gods

‘Vrouwen dragen lange kleren, die zo strak zitten dat men er zonder moeite de vorm van hun lichaam doorheen ziet, waarmee ze de mannen wellustig maken. Ze tonen zonder enige terughoudendheid hun hals en wensen daarin behagen te scheppen. Vroeger waren vrouwen gewoon zich zorgvuldig te bedekken. Ik kan me de tijd nog wel herinneren dat een vrouw de muts van haar man niet op haar hoofd gezet zou hebben, zo groot was toen haar zedigheid.
Op vergelijkbare wijze is ook de lieflijkheid van de muziek nagenoeg geheel overgegaan in wanluidendheid, zoals men dagelijks hoort. Want van degenen die de grootste wanluidendheid voortbrengen, vindt men dat ze het beste zingen. Aldus ziet men alle dingen veranderen. Dat is een aanwijzing dat het Laatste Oordeel nadert.’

Het lijkt misschien alsof hier een verschrikte dominee aan het woord is die zojuist voor het eerst op een houseparty heeft rondgekeken. Deze tekst werd echter ruim 650 jaar geleden, in 1346, opgeschreven door de Antwerpse stadssecretaris Jan van Boendale. In zijn Boek van de wraak Gods, geschreven ten tijde van de beruchte pestepidemie die aan een derde van de Europeanen het leven kostte, laat hij aan de hand van tal van historische voorbeelden uit heden en verleden zien dat zondig gedrag door God vaak al tijdens het leven wordt afgestraft. Boendale geeft zijn publiek in zijn werk voortdurend handreikingen en aanwijzingen om in het dagelijks leven als een goed mens te kunnen leven. Het sleutelbegrip daarbij is gemeen orbaer (algemeen belang): het dienen van het algemeen belang moet de voornaamste drijfveer zijn van zowel geestelijkheid, adel als burgerij. Daarbij voert hij God ten tonele als eerste verdediger van dit principe, en als voornaamste wreker van degenen die het gemeen orbaer aan hun laars lappen.

Het Boek van de wraak Gods is in 1994 in de hedendaagse vertaling van Wim van Anrooij opnieuw uitgegeven in de Griffioenreeks van uitgeverij Querido.