Autobiografie en literatuur in de jaren negentig

Exhibitionisme en autobiofictie

Ongegeneerd beschreef Connie Palmen in  I.M. de liefdesrelatie die ze met de bekende en gevreesde journalist Ischa Meijer (1943-1995) had gehad. Seks, drank, en tranen: het kwam allemaal aan de orde in deze roman, die tegelijk een eerbetoon moest zijn aan de plotseling overleden Meijer.  I.M., verschenen in het voorjaar van 1998, leidde tot veel verontwaardiging en bovendien tot een discussie over de grens tussen autobiografie en fictie. ‘Waarom moeten wij dit allemaal weten?’ vroegen gegeneerde lezers zich af bij de intieme scènes.

Een half jaar later verscheen Taal zonder mij van Kristien Hemmerechts, waarin zij haar ook dat jaar overleden echtgenoot, de dichter Herman De Coninck, herdenkt. Op een van de eerste pagina’s van dat boek schrijft Hemmerechts:

(...), ze buit zijn dood commercieel uit, ze maakt haar verdriet te gelde. Het is de kritiek die Connie Palmen heeft gekregen naar aanleiding van I.M., een boek dat mij er aanvankelijk van weerhield om over Herman te schrijven. Het weduwenboek was al geschreven, waarom zou ik het overdoen? In een vroege versie luidde de tweede zin van dit boek: ‘Ik ben Connie Palmen niet’. Natuurlijk ben ik dat niet. Toch zat haar verdriet me op een vreemde manier in de weg.

Taal zonder mij gaat eigenlijk meer over de gedichten van De Coninck dan over de intieme relatie van Hemmerechts en de bekende Vlaamse dichter. En dat terwijl deze schrijvers toch ook niet vies waren van een beetje exhibitionisme: in 1994 poseerden ze nog gezamenlijk naakt in een ligbad in tijdschrift Knack.

Het bureau

Palmen en Hemmerechts waren lang niet de eersten in het Nederlandse taalgebied die hun persoonlijk leven tot literatuur maakten. Sommige auteurs fictionaliseerden hun leven in grote cycli van romans, zoals S. Vestdijk in de Anton Wachter-cyclus. Een paar jaar vóór Palmen en Hemmerechts was J.J. Voskuil begonnen aan zijn grote cyclus Het bureau, waarin hij zijn dagelijks leven en werk aan een wetenschappelijk onderzoeksinstituut zó waanzinnig gedetailleerd beschrijft, dat je als lezer ofwel meteen afhaakt, of voor duizenden pagina’s verslingerd bent. En in de jaren tachtig begon Eric De Kuyper zijn autobiografie in fictie in vijf delen over zijn kinder-, jeugd- en studietijd: Aan zee, De hoed van tante Jeannot, Mowgli’s tranen, Grand Hotel Solitude en Bruxelles, here I come (1988-1993).

Autobiografische literatuur gaat vaak over de jeugd van de schrijver, of over zijn of haar ouders. Waarbij een goede roman dat persoonlijke relaas weet te ontstijgen. Romans als  Asbestemming van A.F.Th. van der Heijden (1994), Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen (1997) of Gesloten Huis (1994) van Nicolaas Matsier bijvoorbeeld kun je niet alleen lezen als boeken over de kindertijd, maar ook als de beschrijving van een tijdperk dat voorbijging. Met nostalgie, en soms met weerzin beschrijven dergelijke auteurs hun verleden, en de wereld van hun ouders, tijdens de wederopbouw net na WO II.

Omgekeerde verhouding

Er zijn ook schrijvers die benadrukken dat voor hen het ‘echte leven’ niet per se vóór het verhaal erover komt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat sommige schrijvers de dingen beleven óm ze op te kunnen schrijven: ‘ik besta niet zonder de boeken die ik schrijf’, stelde Jeroen Brouwers bijvoorbeeld. Leven en levensbeschrijving staan soms zelfs in een omgekeerde verhouding. L.H. Wiener schrijft in zijn roman Nestor (2002): ‘het enige herkenbare resultaat dat mijn literaire arbeid voor mij heeft gehad is dat mijn leven zich goeddeels heeft ontrold volgens het scenario dat ik eerder in mijn werk had verzonnen.’ En Paul de Wispelaere verwoordt het in een van zijn autobiografische boeken als volgt: ‘Ik zit vast aan steeds hetzelfde boek. Ik ben de lezer van mijn in taal gevatte dubbel, mijn eigen verbeelde leven’. De Wispelaere werd in 1993 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs met zijn autobiografische boek Het verkoolde alfabet, dat in feite een persoonlijk dagboek van een jaar is.

Narcistische samenzwering

Kun je persoonlijke ervaringen in woorden vangen, en wat is het effect daarvan? P.F. Thomése ging in op die vraag in Schaduwkind (2003), dat hij schreef nadat zijn eerste kind stierf, zes weken oud. Het gaat hem er nadrukkelijk niet om iets te verwerken, en nog minder om de lezer te ontroeren (wat natuurlijk wel gebeurt), maar om te onderzoeken wat taal hier kan uitrichten. P.F. Thomése was overigens een van de grootste criticasters van het werk van Connie Palmen, dat hij in zijn artikel ‘De narcistische samenzwering’ (1998) afkraakte en niet tot de literatuur rekende. Toch schreef ook hij nu een boek dat uitging van een autobiografisch gegeven.

Je zou kunnen zeggen dat het eigen leven altijd wel een inspiratie is voor schrijvers. Maar in de jaren negentig van de 20e eeuw was er dus een aantal schrijvers die het eigen leven directer tot onderwerp van hun boeken maakten. Wellicht onder invloed van de openbaarheid van privé-ervaringen op de televisie en op internet zijn ook hun boeken intiemer geworden dan men tot voor kort van de literatuur gewend was. De hierboven genoemde Connie Palmen is daar het bekendste voorbeeld van. De kritiek op deze werken luidt meestal dat ze te veel inspelen op de eisen van het grote publiek. Lezen wordt dan eerder een zaak van herkenning, inleving of voyeurisme dan van een confrontatie met ‘het andere’. En daarmee, vinden de critici, wordt de commercialisering van de literatuur in de hand gewerkt.

Autobiografie van het gevoel

Er is, ten slotte, ook nog een grote groep schrijvers die wel fictie schrijven, maar die niet onder stoelen of banken steken hoe nauw de band is tussen hun boeken en hun eigen levens. Alleen, zij vinden het niet nodig dat ieder feit herleidbaar is tot de werkelijkheid. Tot die groep kun je Arnon Grunberg, Ilja Leonard Pfeijffer en Dimitri Verhulst rekenen. Ook Charlotte Mutsaers schrijft in principe teksten die dicht bij haar eigen leven blijven. Zij benadrukt dan dat het niet gaat om gebeurtenissen, maar om gevoelens. Voor haar lijkt het zelfs een voorwaarde voor literatuur te zijn: ‘Wie voor fictie kiest, zal stapje voor stapje de logica van zijn gevoel dienen op te sporen, want wat is fictie anders dan een soort autobiografie van het gevoel. Zonder behoefte aan zelfkennis heeft het geen zin om fictie te schrijven.’