Johannes Kinker, ‘Aan afreizende broeders’. In: Gezangboek voor Vrijmetselaaren. Amsterdam 1806.

Dit is een afscheidsgedicht voor leden die de loge verlaten. Kinker roept hen op om, waar ook ter wereld, door te gaan met hun metselaarsactiviteiten.

Kom, bijen, die de honing gaêrt,
Op wat voor kleur u ook mocht roemen;
Vlieg uit, verspreidt u over de aard,
Zoek ieder uw lievelingsbloemen.
Van wat voor volk of oord u zijt,
De grote korf staat voor u open,
Aan welke stand u zijt gewijd,
Laat ons op uw arbeid hopen.

Ga dan, en volg uw nijvere aard;
En de aard der bijen kan niet dwalen:
Zodra u zich bijeen vergaêrt,
Wat kan dan aan uw arbeid falen?
Waar u geen vaste korven vindt,
Vorm daar een wandelende woning.
Ziet slechts met wie u zich verbindt;
En stort in veiligheid uw honing.

Ja, broeders, volg de bijen na,
Zij zijn ons beeld in alle trekken;
In veiligheid, of in gevaar:
Onze orde kunt u erin ontdekken.
Maar ontvlucht der wespen vals geslacht,
En hoedt u voor de zwarte vliegen:
Zij zwermen ook bij dag en nacht.
Laat hun gebrom u niet bedriegen.

Ga, broeders! maar vergeet ons niet.
Wanneer u, aan vreemde en verre stranden,
Onze Isis uw hulde biedt,
o Denk dan ook aan deze landen!
Denk aan de Maas, aan Rijn en IJ;
Als u van Isis’ geest hoort spreken.
Denk dan: “Het heil van de metselarij
Is van die oevers niet geweken.”

Vrijmetselaars zijn als bijen die pure honingwas (voor kaarsen, licht) verzamelen ten bate van de hele mensheid. Ieder die een positieve instelling heeft, van welke kleur (christen, Jood enz.) ook, mag zich in deze wereldwijde korf van de Orde verzamelen. Maar niet binnen mogen: wespen en zwarte vliegen. Dat zijn de vaak in het zwart geklede strenge dominees (of: de geestelijken). Die steken of brommen alleen maar en doen niets voor het algemeen belang.