Frans-classicisme

Het Frans-classicisme ontstond rond 1660, zoals de naam aangeeft, in Frankrijk. Het is een literaire stroming die de literatuur, met name het toneel van de zeventiende eeuw, probeerde te vernieuwen. De tot dan toe geldende klassieke voorschriften vonden de Frans-classicisten ouderwets. Ze pasten ze daarom aan aan de eigen tijd. Grondleggers van deze stroming zijn Boileau en toneelschrijvers als Corneille, Racine en Molière, die nieuwe regels ontwierpen voor het schrijven van toneelstukken. Zij vonden dat de dichter moest letten op de samenhang in een stuk. Hij moest zich houden aan de zogenaamde eenheden van tijd, plaats en handeling en ook letten op wellevendheid (bienséance) en waarschijnlijkheid (vraisemblance).

Bienséance houdt in dat er geen moorden en ander geweld meer op het toneel mogen worden vertoond. Vraisemblance bepaalt dat de handeling geloofwaardig moet zijn. Dat betekent dat wonderen, inclusief Bijbelse wonderen, niet meer op het toneel mogen, want wie gelooft er in de moderne tijd nog in wonderen? Verder verbood het Frans-classicisme religieuze en politieke onderwerpen op het toneel. Die zouden alleen maar leiden tot spanningen en geruzie. Dit nieuwe Frans-classicisme bloeide in Frankrijk tussen 1660 en 1685 en werd in Nederland relatief snel opgepikt door het in 1669 opgerichte kunstgenootschap ‘Nil Volentibus Arduum’.

Achttiende-eeuwse genres als het treurspel en het epos werden tot circa 1730 beheerst door deze nieuwe en strenge wetgeving. Daarna kreeg het Frans-classicisme steeds minder invloed. De overige literaire genres van de achttiende eeuw hadden sowieso weinig tot niets te maken met het Frans-classicisme.