Fragment uit: Reize in eenen Palanquin (1808) p. 45-48 van Jacob Haafner.

In het volgende fragment verlaat Haafner ’s nachts zijn palanquin, een draagstoel. Hij kan de slaap niet vatten en maakt een ommetje. Overal flikkert vuur en ziet hij groepjes mensen. Hij was graag bij die mensen gaan zitten:

Maar mijn aanwezigheid scheen hen te hinderen; de afkeer, de vrees, het wantrouwen dat alle Indianen voor Europeanen voelen, bespeurde ik op alle gezichten zodra men mij opmerkte; het meest bij hen die hun vrouwen en dochters bij zich hadden. Overal waar ik mij vertoonde verstomde elke groep. De vreugde en het genoegen die hen allen bezielden verdwenen ogenblikkelijk. Iedereen keek mij met onwil en verdriet aan en leek ongeduldig te wachten tot ik weg zou gaan als ik soms bij hen bleef staan.
Zo hebben de Europeanen, die met hun grotere kennis en verlichting de genegenheid en achting van deze volken hadden kunnen winnen, daarentegen door hun slechte levenswijze, tirannie en onverdraaglijke trotsheid waarmee zij hen behandelen, zich slechts haat en verachting op de hals gehaald. Deze afkeer en verachting voor de blanken is algemeen en vind je bij iedereen --- men moet hun taal verstaan en bekend staan als een sober, matig, zachtzinnig en menslievend man, wil men vertrouwen bij hen vinden en hun genegenheid winnen.
Ik kan zeggen dat het mij vaak inwendig pijn deed dat ik in deze algemene haat moest delen zonder dat ik het deze goede mensen, die mij niet kenden en niet wisten dat ik mijn eigen lands- en geloofsgenoten in die landen, net zo, en mogelijk nog meer dan zij, verfoeide, kon kwalijk nemen.

[Haafner keert terug naar zijn draagstoel en merkt op:]

Mijn palanquin zou nu, als ik onder Europeanen of in Europa zou zijn geweest, óf leeggeroofd, óf helemaal gestolen zijn geweest; maar bij deze domme en blinde heidenen hoeft men zoiets niet te vrezen; men kent hier geen diefstal of moorden zoals bij ons. De echte beroepsdieven zijn de Europeanen; want die komen expres naar deze landen om zich rijk te stelen en worden bewust en opzettelijk hun eigen land uitgestuurd om er te plunderen en te roven. Dat zij het moorden ook goed beheersen, daarvan heeft men, helaas! maar al te goede voorbeelden en bewijzen.