Fragment uit De Bredasche heldinne van Franciscus Lievens Kersteman

De vrouwelijke hoofdpersoon uit De Bredasche heldinne (1751) heeft ’s nachts het besluit genomen om voortaan als man door het leven te gaan en bereidt de volgende dag haar vlucht voor.

Toen ik ’s ochtends veel uitgeruster dan normaal wakker werd, bleef ik onverzettelijk bij het besluit dat ik die nacht had genomen: want men kan zich moeilijk van de eerste hartstochten meester maken, ik hervatte mijn ernstige gebeden, stond op, ging naar de stad om mij van alle overbodige en het grootste deel van mijn vrouwenkleren te ontdoen, kocht van een gedeelte van dat geld bij een ander (met een smoes) een tweedehands herenjas en andere zaken die bij mannenkleren horen, en nam het kloekmoedige besluit de volgende nacht mijn voornemen uit te voeren.
Ik was zó ongeduldig mijzelf in deze nieuwe uitrusting te zien dat ik wel tienmaal op het punt stond die aan te trekken, maar de angst dat de mensen waar ik logeerde dat zouden merken weerhield mij. Eindelijk werd mijn wens vervuld, de dag ging om, en nadat ik mij in mijn vertrekje had teruggetrokken met een heel ander doel dan slapen en de deuren zorgvuldig had gesloten, veranderde ik van kleding. Ik bespeurde toen dat ik geen lelijke jongen was, hoewel ik er in mijn plunje wel een beetje als een landloper uitzag. Nadat ik nog een poosje had gewacht, totdat ik dacht dat de oude lieden van het huis in diepe slaap zouden zijn, pakte ik alle vrouwenkleren die ik nog over had en die zeker meer waard waren dan de rekening, maakte er een bundeltje van en liet het op mijn slaapkamertje op de tafel liggen ter betaling. Vervolgens opende ik heel zachtjes het venster dat op het hof uitzag en ging ik bij het openen van de stadspoort de stad uit, zonder dat iemand in Wageningen wist waar Mie gestoven of gevlogen was.