Fragment uit Caliste van Belle van Zuylen

De hoofdpersoon, Caliste, schrijft een brief aan de vader van haar grote liefde, William. Deze vader wil niet dat zijn zoon trouwt met Caliste. Caliste probeert hem van gedachten te doen veranderen:

U acht mij vooral onwaardig de moeder van uw kleinkinderen te zijn. Ik buig mij zuchtend voor uw mening, waarschijnlijk gegrond op die van het publiek. Indien u uitsluitend te rade zou gaan bij uw eigen oordeel, als u zich verwaardigde mij te zien, mij te kennen, zou uw vonnis wellicht minder streng zijn;
[...]
Al lijk ik u ook nog zo door het slijk gesleurd, geloof mij, mijnheer, dat geen enkele vrouw van welke stand ook, en welke staat zij ook moge voeren, meer dan ik ertegen beschut is geweest om iets vrijpostigs te zien of te horen. O! mijnheer, zou het u moeilijk vallen, u een enigszins gunstige voorstelling te vormen van haar, die met zo’n tedere liefde uw zoon aan zich heeft weten te binden? Ik eindig met de eed dat ik nooit zal toestemmen in iets dat u veroordeelt, zelfs wanneer uw zoon daartoe geneigd zou zijn; maar dat kan hij niet zijn, geen ogenblik zal hij de eerbied vergeten die hij u verschuldigd is.