Fragment uit boek 7 van Abraham, de aartsvader van Arnold Hoogvliet

God en twee engelen, vermomd als drie gewone mannen, dalen neer uit de hemel en voorspellen Abraham dat Sara een kind zal baren:

Toen sprak de Almachtige, in de gedaante van een groot man:
Ik zal terugkomen als het jaar met nieuwe glans,
Ongeveer in dit seizoen, heel de aarde doet herleven:
En Sara wordt een zoon uit haar schoot gegeven.
Dit hoorde Sara bij de deur van de tent
Die God, in deze verschijning, net zo min als Abraham herkent,
Ze zei al lachende in zichzelf: zal ik baren?
Ik wellust hebben in mijn oude en koude jaren;
Terwijl mijn Abraham al grijze haren draagt?
Want beiden waren zij nu oud en hoogbejaard:
Ja zelfs natuur had reeds de tekens weggehouden:
Het ging niet meer, gelijk het gaat met vruchtbare vrouwen.
De baarmoeder was nu al afgestorven in haar lijf.
Maar God, de Alweter, die het menselijk bedrijf
Met alziende ogen ziet, zei tot mijn held: welke reden
Van ongeloof bezielt het hart van Sara heden?
Of waarom heeft zij net gelachen, en gezegd:
Zou ik nog baren in mijn oude onvruchtbaarheid?
Hoe! zou er iets te groot, te wonderlijk in de ogen,
Onmogelijk wezen voor het goddelijk Alvermogen?
Ik zal terugkeren in ditzelfde jaarseizoen,
En Sara zal een zoon uit haar borsten voeden.