De terreur van het kind

In het tijdschrift De Hollandsche wysgeer uit 1759 klaagt een ik-persoon over de terreur die kinderen kunnen uitoefenen. Hij gaat op bezoek bij een vriend op een buitenplaats en komt terecht in een gekkenhuis. Geen minuut stilte maakt hij mee:

De tweede dag van mijn bezoek trok de oudste jongen, die acht jaar is, met grote behendigheid, midden tijdens de maaltijd, mijn pruik af en kreeg de goedkeuring van de tafel over zijn vrolijk- en geestigheid.
[…]
Zes of zeven kinderen worden aan tafel toegelaten die al de vleugels van het gevogelte en de beste hapjes uit iedere schotel opeten, omdat de moeder ontdekt heeft dat de kinderen zwakke magen hebben. ’s Morgens voordat mijn vriend opstond maakte ik normaliter een wandeling in de tuin, waar ik mij met mijn eigen gedachten wilde vermaken zonder gestoord te worden. Maar ik werd daar direct door mijn kleine kwelgeesten gevolgd, die mij van achteren en van voren omringen en een spel spelen dat zij noemen: de oude heer achterna lopen. Mijn zweep, die ik van een goede vriend had gekregen, is door een van de jongens die veel van paarden houdt aan stukken geslagen en de greep is in een hout paardje veranderd. De ketting van mijn repetitiehorloge, [horloge dat op elk moment het laatst verstreken uur kan slaan] dat ik op verzoek van de moeder aan de jongste zoon had geleend die juist in zijn broek was gehesen en schreeuwde of hij het mocht hebben, werd op de kinderkamer stuk gedraaid.
De aandacht van de moeder voor de kinderen leidt voortdurend de aandacht van het gezelschap af, en toen we op een avond als tijdverdrijf probeerden om de recent verschenen POSTKOETS te lezen, werden we op de tweede bladzijde gestoord door Jantje die toestemming heeft om met zijn drijftol in de kamer te spelen.

Conclusie: op de veelgehoorde klacht dat hedendaagse kinderen verwender zijn dan ooit, kan het een en ander worden afgedongen na lezing van dit achttiende-eeuwse verslag