Brand in de schouwburg

Theaters werden verlicht met kaarsen, met alle risico´s van dien. In de nacht van 3 op 4 maart 1746 brandde de schouwburg in Antwerpen volledig af. Meteen besloot het stadsbestuur het theater opnieuw op te bouwen. Zeven jaar later opende dit nieuwe theater in het Tapissierspand haar deuren. Op 11 mei 1772 sloeg het noodlot toe in de Amsterdamse schouwburg aan de Keizersgracht. Daar ontstond brand toen een van de gordijnen vlam vatte tijdens een komedie van een buitenlands gezelschap, ‘De Vlaemsche Opera’ van Jacob Neyts. In paniek vluchtte het publiek de zaal uit. Daarbij vielen minstens twintig doden en raakten veel mensen gewond.

In tegenstelling tot in Vlaanderen laaide in het calvinistische Nederland een heftige discussie op naar aanleiding van de brand en verschenen er honderden geschriften. Streng gelovigen, die een hekel hadden aan toneel, zagen achter de brand de hand van God. Dit was zijn persoonlijke wraakactie tegen het zedenbedervende toneel in die Amsterdamse ‘tempel der zonde’. Het stadsbestuur dacht er anders over en besloot een nieuwe schouwburg te bouwen, voor de veiligheid deze keer iets buiten de stad, bij de Leidsepoort (het huidige Leidseplein). Twee jaar later, op 15 september 1774, werd deze nieuwe schouwburg geopend.

Ook Rotterdam, dat geen eigen theater had, besloot naar aanleiding van de discussies over het nut van schouwburgen, een theater te bouwen. Nog voor de nieuwe Amsterdamse schouwburg af was, ging het Rotterdamse theater open op 1 augustus 1774. Waar een brand al niet goed voor kan zijn.