Van ‘poeta doctus’ tot ‘broodschrijver’

De literatuur uit de renaissance was net zo gevarieerd als vandaag de dag en de schrijvers verschilden net zoveel van elkaar als nu. Grofweg kunnen ze ingedeeld worden in drie groepen.

De eerste en grootste groep bestond uit de auteurs die schrijven als eervolle hobby zagen. Ze vonden zichzelf talentvol en oefenden zoveel mogelijk met de regels voor de kunst. Sommigen waren heel ambitieus en wilden een echte geleerde dichter worden (met een Latijnse term: een poeta doctus). Dat ideaal werd door de dichter Daniel Heinsius in een embleem uitgelegd:

Cupido vliegt omhoog vasthoudend in zijn handen
een ongesloten boek, dat hij geschreven heeft.
Wie wetenschap bezit, vliegt over alle landen,
en boven haat en nijd, trotst al wat dat er leeft
De minnaar die dat heeft, en is niet meer gebonden
aan ’t oordeel van het volk, die verre van hem staan
beneden op der aard. Dat zijn de keffend’ honden,
die bassen in de locht, waar zij niet konnen gaan.

De liefdesgod Cupido heeft zijn kennis opgeschreven en geeft het voorbeeld aan andere schrijvers (en verliefde minnaars!). Zij kunnen veel meer dan de jaloerse dommeriken op de grond.

Geleerde schrijvers keken inderdaad al gauw minachtend naar collega’s die zij niet getalenteerd vonden. Zo plaatsten ze vraagtekens bij het ideaal van een toneelgenootschap dat in 1669 werd opgericht, Nil volentibus arduum (voor hen die willen is niets moeilijk). De leden van Nil vonden dat talent niet per se nodig was als je maar genoeg oefende en de regels volgde. Ook voor deze groep was schrijven een eervolle hobby.

Of je talent nodig had, was dus een discussiepunt, maar oefenen moest je in elk geval. Daarover waren de geleerde auteurs en de leden van Nil het eens. Ze hadden dan ook grote afkeer van een derde groep, die ze voortdurend bespotten en bekritiseerden: de ‘vrije jongens’. Die vonden namelijk dat je met enkel talent een goede schrijver kon zijn. Kennis, oefening en regelgeving waren in hun ogen niet zo belangrijk om apart aan te leren – die ontdekte je in de praktijk vanzelf wel. Een paar van deze auteurs kennen we bij naam, bijvoorbeeld Jan Vos en Thomas Asselijn. Van de meesten weten we de naam echter niet, vooral als ze romans schreven of vertaalden. Romans verschenen vaak anoniem en stonden niet hoog aangeschreven. Maar ze verkochten wel goed en daarom wilden uitgevers de schrijvers en vertalers er wel voor betalen. De auteurs uit de eerste twee groepen vonden dat maar niets: zij noemden de romanauteurs laatdunkend ‘broodschrijvers’.