Herders in soorten en maten

Het liedje Windeken (windje, briesje) waarmee de herder Daifilo in Hoofts pastorale toneelstuk Granida (1605) een mooie herderin probeerde te versieren, werd in de zeventiende eeuw vaak bewerkt. Een beroemd voorbeeld is het kerstlied van de dichter Jacob Revius (1586-1658), over herders die onderweg zijn naar Christus’ stal. Bij Hooft luidde de laatste strofe (Granida, r. 75-80):

’t Weigeren, en d’afkerigheid
voegt zo wel niet, als men zeit,
voor de vrouwen,
’t kan haar rouwen.
Wie geboden dienst versmaadt,
Wenst er wel om als ’t is te laat.

Weigeren en onwillig zijn
past vrouwen niet zo goed
als men altijd zegt,
’t kan verdrietig voor hen uitpakken.
Wie niet ingaat op een aanbod,
verlangt ernaar als het te laat is.

Revius maakte ervan (Harder-liedt, r. 36-42):

Alle die door afkeerlijkheid
wijkt van Godes heerlijkheid,
komt hier binne’,
zoekt zijn minne.
Wie deez’ zalig uur versmaadt
Treurter wel om als ’t is te laat.

Iedereen die door onwilligheid
weggaat van Gods heerlijkheid,
kom hier binnen,
zoek Zijn liefde.
Wie dit heerlijk uur laat lopen
treurt erom als het te laat is.

Revius’ bewerking is een aemulatio: hij overtreft zijn voorbeeld door Hoofts onderwerp een christelijke inhoud te geven. Dat kwam heel vaak voor, onder andere bij bewerkingen van heidense stof uit de klassieke oudheid. Een beroemd voorbeeld is de tragedie Jeptha of offerbelofte van Vondel (1659). Die was geïnspireerd op een tragedie uit de oudheid, Iphigneia in Aulis van de Griek Euripides. Vondel verving het verhaal over het Griekse meisje Iphigneia, dat door haar vader aan de goden geofferd wordt, door de bijbelse geschiedenis van Jefta en zijn dochter (Rechters 11:29-40).