God spreekt in het Nederlands

De vertalers en controleurs hadden opdracht gekregen correct Nederlands te gebruiken. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ze kwamen uit verschillende delen van het land en brachten hun eigen varianten van het Nederlands mee. Er moesten dus compromissen gesloten worden over spelling, grammatica en woordgebruik. Voor veel woorden, zinswendingen en uitdrukkingen was ook nog geen algemene Nederlandse variant beschikbaar, die moest dan ontworpen worden. De oplossingen waren de eerste stappen naar één Nederlandse taal. Omdat de Statenbijbel zoveel gelezen werd, kreeg ze grote invloed. In het huidige Nederlands is dat nog goed te merken.

De vertalers werkten systematisch. Zo kozen ze bijvoorbeeld steeds voor om in bijzinnen die een doel uitdrukten: ‘gekomen om dit land te doorzoeken’ in plaats van ‘gekomen het land te verspieden’ (Jozua 2:2). Ook maakten ze consequent onderscheid tussen liggen en leggen en kozen ze dacht in plaats van docht en vond in plaats van vand. Door de Statenvertaling werd het wederkerende voornaamwoord zich het algemeen gebruikte, boven hem en haar.

Veel spreekwoorden en uitdrukkingen zijn afkomstig uit de Statenvertaling, zoals ‘iemand op handen dragen’, ‘in het duister tasten’, ‘niet van gisteren zijn’, ‘de haren rezen hem te berge’, ‘de appel valt niet ver van de boom’, ‘iemands hart stelen’, ‘je hart uitstorten’, ‘hemel en aarde bewegen’, ‘bij de pakken neerzitten’, ‘muggen ziften’, ‘iemand het mes op de keel zetten’ en ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’.

Het was een lastige klus die tot intensieve discussies en wijzigingen leidde. De secretaris van de commissie werd er af en toe wanhopig van. En een van de vertalers, Willem Baudartius, verzuchtte tegen revisor Revius: ‘Ik heb mijn leven lang nooit zo geblokt als ik nu in mijn oude dagen doen moet.’ Maar het succes vergoedde veel. Toen het boek uitkwam, werd opgemerkt dat God nu in het Nederlands sprak, zo goed was de taal.