Een magistraal verhaal over de Tachtigjarige Oorlog

Al snel na het begin van de Tachtigjarige Oorlog wilde men de gebeurtenissen op papier vastleggen. In 1571 vroeg de Synode van Gereformeerde Kerken aan Marnix van Sint Aldegonde, steun en toeverlaat van Willem van Oranje, om ‘een Historie der dingen, die in sommige jaren herwaarts geschied zijn’ te schrijven. Maar kennelijk was de tijd nog niet rijp. Pas in 1595 verscheen een overzicht, van de Haarlemse notaris Pieter Bor. Dit werd al snel gevolgd door Emanuel van Meterens Historie der Nederlandsche ende haerder Na-buren Oorlogen en Geschiedenissen.

Maar dat viel allemaal in het niet bij P.C. Hoofts Nederlandsche Historiën. Hooft werkte er jarenlang aan maar kreeg het niet helemaal af. In 1642 verschenen de eerste twintig hoofdstukken, van 1555 tot en met de dood van Willem van Oranje in 1584. Hooft nam een auteur uit de klassieke oudheid als voorbeeld: de Romein Tacitus. Hij probeerde alle constructies en zegswijzen uit Tacitus’ Latijn in het Nederlands toe te passen. Bovendien wilde hij alles zo beeldend mogelijk verwoorden. Inhoudelijk was hij ook niet gauw tevreden: alle gebeurtenissen werden gereconstrueerd aan de hand van verschillende bronnen. Dit alles leidde tot een magistrale tekst, die echter alleen voor ontwikkelde zeventiende-eeuwers begrijpelijk was. Lezers die het aankonden waren diep onder de indruk.

Uit de Nederlandsche Historiën blijkt ook Hoofts’ vermogen om verhalen in detail te vertellen en spannende gebeurtenissen breed uit te meten. Zo beschreef hij het beleg van Leiden door de Spanjaarden in 1574. De belegering leidde tot grote hongersnood en een bestuurscrisis in de stad, maar eindigde op 3 oktober met het Leids ontzet - de Nederlandse overwinning wordt nog altijd op die datum herdacht. Willem van Oranje werd van dag tot dag op de hoogte gehouden en zocht koortsachtig naar een een manier om Leiden te bevrijden:

In dezen stand der dingen, werd schielijk de Prins getroffen, en terneer geworpen, van een’ ziekte, zoo heet en heftig, dat zij, voor pest geoordeeld, zijn eigen hofgezin schuw van hem maakte, en hij zelf hun beval voor smette zich te hoeden. De vinnigheid der kwale had weldige hulp aan het hartzeer, uit inbeelding dat Leiden, op het gijpen leggende, ’t onzet niet afwachten zoude.

En terwijl de zaak er zo voor stond, werd de prins plotseling getroffen en neergemaaid door een ziekte die zo koortsachtig en heftig was dat men dacht dat hij de pest had en dat zijn eigen gezin bang was om bij hem te komen en hij het zelf op afstand hield, uit angst voor besmetting. De ziekte werd nog gemener door de pijn die de Prins in zijn hart voelde als hij eraan dacht hoe Leiden, volledig murw, zich voortijdig aan de Spanjaarden over zou geven en redding niet af zou wachten.

De nood werd ondertussen in Leiden inderdaad almaar hoger:

Vele jonge kinderkens werden met paardendarmen gespijst. Somtijds gaven der enige den geest, in ’t trekken aan de ledige borst. Ja, tot meermalen zijn beide, moeder en kind in haar armen, op straat dood gevonden.

Veel jonge kindertjes werden gevoed met paardendarmen. Soms stierven er kinderen terwijl ze melk probeerden te drinken uit de lege borst van hun moeder. Ja, vaak zelfs zijn ze samen, een moeder met een kind in haar armen, dood op straat aangetroffen.