Dromen in een beroemd huis

Het Muiderslot was rond 1280 gebouwd, in opdracht van de Hollandse graaf Floris V. Die kon toen nog niet vermoeden dat uitgerekend zijn dood het slot beroemd zou maken. In 1296 kwam een van zijn hoge edelen, Geeraerdt van Velsen, tegen Floris V in opstand. Hij beschuldigde hem van de onrechtvaardige terdoodveroordeling van zijn broer en van de verkrachting van zijn vrouw Machtelt van Velsen. En dat alles terwijl Geeraerdt trouw voor de graaf op pad was. Hij organiseerde een samenzwering en zette Floris gevangen op het Muiderslot. Toen aanhangers van Floris het kasteel aanvielen, vluchtte Geeraerdt met de graaf weg en doodde hem.

Hooft had over deze gebeurtenissen in 1613 de tragedie Geeraerdt van Velsen geschreven. In een van de scènes verschijnt de geest van de dode broer van Geeraerdt aan de gevangen Floris V en roept hem ter verantwoording. Floris toont berouw, maar te laat: Geeraerdt wil onherroepelijk wraak nemen. Wie was er nu schuldig: Geeraerdt of de graaf? Allebei, vond Hooft, maar Geeraerdt nog het meest want die had Floris voor de rechtbank moeten brengen in plaats van voor eigen rechter te spelen. Later namen de aanhangers van Floris op hun beurt wraak voor zijn dood: dat is door Vondel beschreven in het toneelstuk Gysbreght van Aemstel (1637).

In 1626 logeerde Huygens in de kamer waar Floris gevangen had gezeten. Volgens het gedicht dat hij over die nacht aan Tesselschade Visscher schreef, droomde hij over de ruzie tussen de graaf en Geeraerdt:

Tspook te Muiden

Tesselscha, die lijden kont
’t zot gerammel uit mijn mond,
zelver als mij dunkt ik stamer;
hoort: het spookt in deze kamer.
Kont gij ’t lijden? Ja, gij moet,
’t spookt er, maar in mijn gemoed.
Zwangerhoofdig van gedachten
over ’t wederzijds verkrachten
van den meester en den knecht,
beî ten vuilsten aangerecht,
kruip ik tussen deze lakens,
waar ik menig ure wakens
bezig aan den overslag
wie men schuldigst keuren mag
of den terger, of den wreker,
of den echten-bande-breker,
of den breker van zijn’ trouw,
tegen ’s lands heer, om een vrouw.
’k Zie den graaf hier liggen vloeken,
’k zie hem kruipen door de hoeken
van zijn omgetuimeld hert;
’k zie hem smelten in zijn’ smert
’k zie hem sidderen van boosheid,
’k zie hem allerhande loosheid
schrapen bij den anderen,
honderdmaal veranderen.
(…)
Sluiter Gerrit hoor ik buiten
woelen dat mijn’ oren tuiten;
’k hoor hem stomm’len door den nacht,
’k hoor hem razen aan de wacht,
’k hoor hem kijven op de flauwe,
reden geven aan de lauwe.

Huygens brengt de scène levensecht voor ogen. Gelukkig was het maar een droom, besluit hij: het spookt wel, maar alleen in ons hoofd.