De Antwerpse theaters

Vóór Amsterdam had een andere handelsstad een Gouden Eeuw gekend: Antwerpen, in de zestiende eeuw. Toen de Spaanse troepen onder leiding van Alexander Farnese de stad in 1585 innamen, eindigde die bloei. De rederijkers, die tot dan toe het theaterleven hadden beheerst, kregen het erg moeilijk. In Antwerpen was er voorlopig geen geld voor een grote schouwburg. Er werd nog wel georganiseerd toneel gespeeld, maar in kleine speelzalen.

Zo was er de rederijkerskamer De Violieren. Deze kamer had haar zaal op heel wat plekken in Antwerpen gehad. Ze huurden in 1619 de tweede verdieping van een groot koopmanshuis aan de Grote Markt, naast het stadhuis. Eerst speelde men vooral voor de eigen leden, later mocht ook het volk regelmatig gratis komen kijken (al stond er wel iemand aan de deur die selecteerde wie wel en wie niet binnen mocht). Ook de twee andere Antwerpse rederijkerskamers speelden in zulke omstandigheden.

In 1664 (de twee andere rederijkerskamers waren toen verdwenen) verhuisde de kamer van De Violieren (herdoopt tot De Olijftak) naar een speelzaal boven het beursgebouw. Afgezien van het feit dat deze nieuwe zaal groter en mooier was, weten we er erg weinig van.

In 1660 hadden de aalmoezeniers de eerste commerciële schouwburg van Antwerpen opgericht. Aalmoezeniers hielden zich bezig met de armenzorg. Door toneel te spelen en daar entreegeld voor te vragen – wat de rederijkers niet mochten, want zij kregen subsidies van de stedelijke overheid – hoopten ze winst te maken die dan naar de armen kon. Daarom moest hun schouwburg aantrekkelijk en fraai versierd zijn. Deze speelzaal was echter voorlopig nog gelegen in hetzelfde gebouw aan de Grote Markt als de speelzaal van De Violieren. Pas in 1709 richtten de aalmoezeniers het eerste echte, moderne theatergebouw van Antwerpen op, een schouwburg die een beetje leek op de schouwburgen die wij nu ook nog kennen. Maar dat is het verhaal van een latere periode.