Is criminaliteit uitroeibaar?

De geleerde en schrijver Dirck Volckertsz. Coornhert dacht van wel, als er maar zorgvuldig nagedacht werd over de oorzaken van criminaliteit en als de maatregelen daar maar bij pasten. Hij formuleerde het zelf in zijn Boeventucht (1587) als volgt:

Oorzaken van de toename van het aantal misdadigers
Men vindt onder deze oorzaken (naast enige andere) er drie die vooropstaan, nl. toelaten dat arme mensen in ledigheid brassen; de verwachting van zulke mensen ongestraft te blijven en ook hun geringe angst voor een akelig ochtendje, zoals zij het noemen.

1. Gebrek aan aandacht voor handel en wandel van de armen
Al is het zeker zo dat de overheid zorgvuldig behoort te letten op de handel en wandel van het arme deel van de bevolking, gebeurt dat echter in geen van de steden waarover ik inlichtingen heb kunnen krijgen. Daarom vervalt de arme jeugd, slecht opgevoed als zij is, gemakkelijk tot lanterfanten, dobbelen en drinken, en indien hun armoede hen niet in staat stelt dergelijk niets opbrengend brassen te bekostigen: hoe moet het geld anders verkregen worden dan met slechte middelen? Zoals het spreekwoord suggereert:

Wie niets verdient en niets heeft,
voortdurend in kroegen leeft,
en de kroeghoudsters goed betaalt,
is ’t niet een groot raadsel vanwaar hij ’t haalt?

2. Verwachting ongestraft te blijven
Want wanneer dergelijke luie slempers onder de misdadigers geraken, bemerken zij dat hun aantal groot, en de hoeveelheid gestraften uit hun midden klein is, aangezien ze zelden gevangen genomen worden, omdat de boeren bang zijn dat hun eigendommen door hen in de as gelegd worden, en de gerechtelijke ambtenaren dat ze de onkosten langdurig moeten voorschieten. En daardoor in de verwachting onopgemerkt te kunnen stelen en roven, en te ontkomen of licht gestraft te worden, gaan deze lieden onbekommerd over tot het bedrijven van misdaden, teneinde zodoende in ledigheid en overdaad te kunnen leven.

3. Geringe angst voor de dood
Maar gesteld al dat hen het ongeluk mocht treffen gevangen genomen of gedood te worden, dan nog menen zij dat eens flink uit de band springen wel een aframmeling waard is. En wanneer zij in deze lijn wat voortfilosoferen, zien zij in dat zij toch eenmaal moeten sterven, door ziekten of anderszins, verkiezen zij een korte, plotselinge dood boven een lange, slepende, en menen zij dus ook dat de straf van de overheid [nl. de doodstraf] hen genadiger behandelt dan de natuur zelf. Ook vinden zij dat zij minder risico lopen en meer profijt behalen dan de soldaten, die in nijpende armoe deelnemen aan gevaarlijke veldtochten en schermutselingen met de vijand (naar men zegt) voor vier stuivers per dag en ’s avonds een mes door hun strot.

Als er nu geschikte middelen gevonden kunnen worden om de hiervoor genoemde drie oorzaken van de groei van het aantal misdadigers weg te nemen, dan zal vermindering daarvan zeker verwacht kunnen worden. En het komt mij voor dat de eerste en voornaamste oorzaak zal verdwijnen, ingeval men in de steden, en ook in de grotere dorpen, de volgende of daaraan gelijke verordeningen opstelt en er nauwgezet de hand aan houdt.