Bittere tranen

De petrarkistische liefdespoëzie eiste veel technische bagage van de dichters. Voor Constantijn Huygens was dat geen probleem. Hij wist binnen de compacte veertien regels van een sonnet gemakkelijk een enorme spanning op te bouwen, zoals in het gedicht dat hij zeven maanden na de dood van zijn vrouw Suzanna van Baerle schreef. Hij noemde haar Sterre, zoals Petrarca zijn Laura Stella noemde. Behalve de knappe techniek valt ook het enorme verdriet op: de dichter is zo overvallen door de onverwachte gebeurtenis (op 10 mei 1637) dat hij eerst denkt dat hij droomt. Als tot hem doordringt dat zijn vrouw bij God is, hoopt hij dat hij snel met haar verenigd zal worden.

Op de dood van Sterre
24 januari 1638

Droom ik, en is het nacht, of is mijn Sterr’ verdwenen?
Ik waak, en ’t is hoog dag, en zie mijn Sterre niet.
O hemelen, die mij haar aangezicht verbiedt,
spreek mensentaal, en zeg waar is mijn Sterre henen!
De hemel slaat geluid, ik hoor hem door mijn stenen,
en zegt: Sterre staat in het heilige gebied
waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet,
en, voegt het lachen daar, belacht mijn ijdel wenen.
Nu dood; nu snik, meteen verschenen en voorbij;
Nu, doorgang van een steen, van een gesteen, ten leven;
dun schutsel, sta nabij; ’k zal ’t u met dank vergeven.
Kom, dood, en maak mij korts van deze koortsen vrij.
’k Verlang in ’t eeuwig licht te zamen te zien zweven
mijn heil, mijn lief, mijn lijf; mijn God, mijn Sterre en mij.

Huygens stierf echter pas in 1687. Zijn omgeving probeerde hem te steunen. Zo raadde Tesselschade Visscher hem aan zijn verdriet van zich af te schrijven.